|
De BPM-wetgeving voor bestelauto's is de afgelopen jaren flink gewijzigd. Vanaf 2007 geldt op nieuwe bestelauto's een vrijstelling in plaats van een teruggaaf. Bij gebruikte bestelauto's geldt een doorschuifregeling ter voorkoming van afdracht van rest-BPM. Hoe dit werkt bij opeenvolgende transacties, blijkt uit een onlangs vrijgegeven uitspraak van de rechtbank in Arnhem.
Het ging daarbij om een bestelauto die door een garagebedrijf was gekocht van een ander garagebedrijf en vervolgens was doorverkocht aan een particulier. Beide transacties speelden zich af binnen de vijfjaarstermijn, waarbij de ondernemer rest-BPM moet betalen als er (bijvoorbeeld door verkoop) niet meer aan de voorwaarden voor BPM-vrijstelling wordt voldaan. Heffing van deze rest-BPM kan achterwege blijven als de auto aan een andere ondernemer wordt verkocht en de partijen daarbij een zogenaamde doorschuifverklaring ondertekenen.
Bij de eerste transactie was zo'n verklaring echter niet opgesteld en de auto werd doorverkocht aan een particulier. Normaliter moet het garagebedrijf dan BPM-aangifte doen en de BPM afdragen. Die BPM kan weer op de factuur aan de particulier worden doorberekend. In dit geval legde de belastingdienst een naheffingsaanslag voor de BPM op de tweede verkoop (de verkoop aan de particulier dus) met als argument: per transactie moet bepaald worden of die belast is met BPM.
Maar de rechtbank oordeelde anders. Als bij de eerste transactie de BPM niet is doorgeschoven, is de koper van de bestelauto voor de vijfjaarsperiode niet in de plaats getreden van de vorige eigenaar. Het ontbreken van een doorschuifverklaring betekent dat er op latere transacties geen doorschuiving meer kan of hoeft plaats te vinden. Bij de verkoop aan de particulier was dus geen BPM verschuldigd.
bron; auto&fiscus
|